Spoorwegmuseum Utrecht

Spoorwegmuseum Utrecht

Gedichten

 

 

 

De boeman

De boeman is woest man,
hij gromt en hij hapt
maar ik word er niet bang van.
Toe dan, boeman
en maak me eens bang dan.

De boeman is slap man,
hij slaat en hij schreeuwt
maar hij kan er geen klap van.
Zeg boeman, kom op dan,
moet ik het je voordoen?

De boeman is bang man.
Ik zwaai met mijn vuist.
Ik schop met mijn schoen
en vlak voor hij wegduikt,
geef ik hem een klapzoen.


Winkeltje woest

Dag meneertje Brullebek.
Je winkeltje is echt te gek.
Ik kom wat bij je kopen.

Geef me gauw een potje brom,
een bakje brul, een doosje grom.
En doe mij ook een mopperkont,
een zeurneus en een grote mond.
Stop alles in een flinke doos.
Ik ben een beetje boos.

‘Is het een cadeautje?’
vraagt Brullebek gemeen.
Ik zeg: ‘Ja, ‘t is voor mijn moeder,
er moet wel een strik omheen.’


Beest in bad

Vanmorgen kwam er zo ineens een beest op uit de grond.
In zijn oren zaten kikkers, er kwam modder uit zijn mond.
In zijn haren zaten spinnen, kevers, muizen, dikke kluiten.
Het vroeg me om een zakdoek en begon zijn neus te snuiten.

‘Ik wil zo graag in bad, zou dat kunnen?’ vroeg het beest.
‘Ik ben een beetje vies, ik ben vandaag nog niet geweest.’
Ik had nog niet geantwoord, maar het liep al langs me heen.
‘Heel even,’ riep het beest, ‘ik kan het heus al wel alleen.’

Er liep een smerig spoor door de keuken en de gang.
Op de spiegel zaten spetters, er zat blubber op het behang.
Twee uur zat het beest in bad, het waste traag z’n haren
en ook z’n kikkers, muizen, spinnen, want die wonen daar al jaren.
 

 

 

Krokodil-boek.png